Leiden Rusland Blog

Verschriftelijking op berkenbast

Posted on in
Verschriftelijking op berkenbast

De Oud-Russische berkenbastbrieven (11e tot 15e eeuw) zijn niet alleen een unieke bron van informatie over de taal en het leven van alledag in middeleeuws Novgorod en omgeving, maar verschaffen ook veel inzicht in de ontwikkeling van het gebruik en de status van het geschreven woord in het Oost-Slavische taalgebied gedurende de Middeleeuwen.

Wat was nu precies de functie van het geschreven woord in middeleeuws Novgorod? Met de komst van het christendom naar Novgorod aan het einde van de 10e eeuw werd daar ook het schrift geïntroduceerd. Aanvankelijk was het gebruik daarvan primair voor kerkelijke doeleinden. Vervolgens nemen we een verspreiding waar naar het alledaagse domein. In het jaar 1030 gaf grootvorst Jaroslav de Wijze de opdracht om 300 kinderen van de oudsten en priesters onderwijs te geven, onder andere in het lezen en schrijven. Uit de daaropvolgende decennia dateren de eerste berkenbastbrieven: korte berichtjes die met een stylus in een stukje berkenbast zijn ingekrast.

We treffen op berkenbast persoonlijke briefjes aan, maar bijvoorbeeld ook lijstjes van handelswaar, begeleidende berichtjes bij een zending goederen, etc. Gaandeweg begreep men echter ook dat het geschreven woord gebruikt kon worden om  bepaalde handelingen vast te leggen, bijvoorbeeld het in ontvangst nemen van een erfenis, zoals in de volgende tekst:

От Сьмьюна. Сь возяло есмь у Храря задницю Шибьньцьву. А боль нь надобѣ никому.

‘Van Semjun. Hierbij heb ik van Chrar genomen de erfenis van Sjibenets. En verder heeft niemand er  recht op.’ (N198 / ca. 1260-1280)

Wij zouden eerder geneigd zijn om te zeggen: ‘Hierbij neem ik …’. Toch wordt in het voorbeeld de verleden tijd (perfectum) gebruikt: ‘Hierbij heb ik genomen’. Het gebruik van de verleden tijd (perfectum of aoristus) in een dergelijke (performatieve) context is een zinswending die we regelmatig tegenkomen op berkenbast. De auteur beschouwt het schrijven van het document klaarblijkelijk als een afronding van de handeling. Hij kijkt terug op de handeling zelf, en tevens bekrachtigt hij deze. Dit wordt misschien nog wat duidelijker aan de hand van het volgende voorbeeld:

Се купило Михало у кнзя великого бороце у Василия Одреяна кузнеця и Токову и Островну и Ротковици Кодраця и Ведрово. Да 2 рубля, и 3 грины дасте Яковъ. Атно се замѣшете Михалу брату ег дасте серебро двое.

‘Hierbij heeft Michal gekocht van Vasili, de belastinginner van de grootvorst, Odrejan de smid en [de dorpen] Tokova, Ostrovna, Rokovitsji Kodratsja en Vedrovo. Hij heeft 2 roebel gegeven, en Jakov zal 3 grivna’s geven. Als er schade zal ontstaan, zal [de schuldige] aan Michal en zijn broer het dubbele bedrag betalen.’ (N318 / ca. 1340-1360)

Ook hier zien we weer de verleden tijd: ‘heeft gekocht’. Bij het schrijven blikt de auteur terug: de koop is overeengekomen, het geld is overhandigd, de transactie voltooid. Toch bestond er blijkbaar nog behoefte om deze transactie vervolgens op berkenbast vast te leggen. Weliswaar werd berkenbast gewoonlijk gebruikt als schrijfmateriaal voor alledaagse boodschappen die niet waren bedoeld om langer bewaard te worden; het is echter goed mogelijk dat het in het bovenstaande voorbeeld alleen om een kladversie gaat, die vervolgens op perkament moest worden overgeschreven, om zo ook in de toekomst bewaard te blijven. Een expliciete aanwijzing voor zo’n procedure vinden we aan het einde van een andere berkenbastbrief:

[…] А ты, Степане, пьрьпесаво на харотитию, посъли жь.

‘[…]En jij, Stepan, schrijf dit over op perkament en stuur het weg.’ (N831 / ca. 1140-1160)

Hoe dan ook, men zag in dat het een toegevoegde waarde had om handelingen op schrift vast te leggen. Dit toont aan dat zaken die vóór de opkomst van het schrift mondeling werden afgehandeld nu niet meer als definitief genoeg werden ervaren.

Het afleggen van schriftelijke verklaringen die verwijzen naar een voorafgaande handeling, waarbij deze in de verleden tijd wordt geformuleerd, is een fenomeen dat we ook in andere talen tegenkomen, bijvoorbeeld in het Oud-Engels. Het testament van de Engelse atheling (prins) Æthelstan begint als volgt:

On godes ælmihtiges naman Ic Æþestan Æþeling geswutelige on þysan gewrite hu ic mine are and mine æhta geunnen hæbbe. […]

‘In de naam van de almachtige God verklaar ik, Æthelstan de Atheling, in dit document hoe ik mijn landgoederen en bezittingen toegewezen heb (d.w.z. als erfenis). […]’ (Testament van Æthelstan / 1015)

Ook hier zien we weer het gebruik van de verleden tijd (geunnen hæbbe ‘toegewezen heb’); dit sluit aan bij de traditie dat de goederen in een mondelinge ceremonie al eerder aan de erfgenamen zijn toegewezen. Het document is vervolgens opgesteld om deze handeling definitief te ‘bekrachtigen’. Æthelstan zegt als het ware: ‘hierbij verklaar ik dat mijn erfenis is geregeld’. De verdere inhoud van het document dient dan als bewijs van wat er precies geregeld is.

Aan de ene kant zien we dat het mondelinge aspect nog wel belangrijk blijft: het document wordt niet opgesteld zonder voorafgaande mondelinge afspraak of ceremonie. Maar aan de andere kant moet de uitkomst van die ceremonie wel op schrift worden ‘vereeuwigd’. Gaandeweg krijgt die schriftelijke vastlegging meer betekenis. Dit is één aspect van een proces dat bekendstaat als verschriftelijking. Van steeds meer handelingen worden documenten een onmisbaar bestanddeel. Men begint het potentieel van het geschreven medium steeds meer te benutten.

Dat zegt echter nog niet alles. Verschuiving van medium (d.w.z. van mondeling naar schriftelijk) betekent nog niet automatisch een verschuiving in mentaliteit. Verschriftelijking is meer dan alleen maar het gebruik van een nieuwe (geschreven) manier van informatieoverdracht. Het vereist ook een nieuwe houding tegenover het nieuwe medium, meer nog, het vereist vertrouwen in het geschreven woord.

Als een testament of koopakte van enige waarde moet zijn, moeten de betrokkenen het vertrouwen kunnen opbrengen dat de optekening van het document inderdaad een weerspiegeling is van de wensen van de auteur of van de realiteit van de kooptransactie. Hoe wordt dit vertrouwen gewaarborgd? In onze huidige samenleving hebben we daar talrijke mechanismen voor, zoals de diensten van een notaris. Maar uiteindelijk komt het toch neer op vertrouwen hebben in het geschreven woord en de daarbij behorende procedures.

Door eeuwenlange gewenning komt dit op ons nu heel natuurlijk over, maar voor een middeleeuwse inwoner van Novgorod was dit allesbehalve vanzelfsprekend. De ontwikkeling van vertrouwen in het geschreven woord is een proces dat vaak vele eeuwen in beslag neemt. Aanvankelijk heeft men meer vertrouwen in het geheugen van betrouwbare ooggetuigen; langzaamaan verschuift de bewijslast naar de meer ‘objectieve’ weergave die is opgetekend in documenten. In het verlengde hiervan zien we vaak een steeds verdergaande formalisering van de schrijftaal; deze wordt steeds verder ontkoppeld van het spontane taalgebruik uit het alledaagse leven.

Vandaag de dag zien we eerder een tegengestelde beweging, in de richting van informalisering: de geschreven taal beweegt zich weer steeds verder in de richting van het gesproken woord. Toch, ondanks alle informalisering, digitalisering, en de ‘vervluchtiging’ van het geschreven woord die daarmee gepaard gaat (denk bijvoorbeeld aan email, sms, WhatsApp), zien we dat deze ontwikkelingen hoegenaamd geen enkele bedreiging vormen voor de bekrachtigende functie van officiële documenten. Daarvoor liggen de ‘verschriftelijkte’ procedures, als resultaat van een langdurig proces, te diep ingebed in de collectieve mentaliteit. De berkenbastbrieven geven ons een heel bijzonder zicht op een gebied en periode waarin dit proces zich in een zeer dynamische ontwikkelingsfase bevond.

Add a Comment

Commenting is not available in this channel entry.